Babbel en Lees Voor

Wat

Je leest samen met een groep deelnemers een kort verhaal of tekst in eenvoudige taal.

De deelnemers

  • lezen in groep en lezen eventueel zelf ook voor
  • luisteren
  • praten over diverse thema’s uit het verhaal of de tekst

De begeleiders

  • lezen voor
  • stellen open vragen en stimuleren gesprek
  • leggen moeilijke woorden uit

Duur

90 - 120 minuten (met +/- 20 minuten pauze)

Voor wie

  • Geschikt voor groepen met gemengd taalniveau. Ook deelnemers die niet kunnen lezen, luisteren en praten mee. Jij (of een andere deelnemer) leest voor.
  • Maximum 15 deelnemers per sessie

Materiaal

Boekjes in eenvoudige taal

Je vindt dit materiaal in

  • Taalpunten van 
    • Bibliotheek Vredegerecht
    • Bilbiotheek Couwelaar
    • UiThuis Hoboken
    • Bibliotheek Permeke
    • Bibliotheek Elsschot Linkeroever
    • Bibliotheek Luchtbal
  • docAtlas – Carnotstraat 110 – 2060 Antwerpen
  • de bibliotheken onder de rubriek gemakkelijk lezen

Extra materiaal

Informatie over SamenLezen

Voorbereiding

  • Kies teksten die
    • positieve boodschappen hebben zoals liefde, familie, reizen, leren, dagdagelijks leven, samenleving, vakantie en humor.
    • herkenbaar zijn voor je deelnemers. Denk aan interesses, leeftijd, levenssituaties, cultuur.
    • aansluiten bij het taalniveau van je deelnemers.
  • Vermijd thema’s die voor bepaalde culturen taboe zijn zoals seks, religie en politiek.
  • Kopieer 1 of 2 verhalen per sessie. Vergroot de kopieën als het lettertype klein is.
  • Verdeel de tekst in verschillende delen en stel bij elk deel enkele vragen op. In het begin stop je regelmatig, soms na 2 alinea’s om te checken of de deelnemers de tekst begrijpen. Duid op voorhand al verschillende stopjes aan en bereid verschillende vragen voor. Het is belangrijk om in de tekst met de deelnemers op zoek te gaan naar herkenningspunten voor hen.
  • Voorzie een grote tafel en stoelen voor 15 deelnemers.
  • Leg schriftjes en schrijfgerief op de tafel.
  • Voorzie koffie, thee en koekjes tijdens de pauze.

Activiteit

Start

  • Stel jezelf en het verhaal of tekst voor.
  • Leg het doel van de activiteit uit: Jij leest voor, de groep praat over de tekst, iedereen luistert naar elkaar, deelnemers mogen ook luisteren en praten.

SamenLezen 

Eerste ronde

  • Lees de titel en de eerste 2 paragrafen voor in een traag tempo.
  • Pauzeer kort in stilte.
  • Lees opnieuw dezelfde paragrafen voor.
  • Stel open vragen over het thema of de personages.
    - Wat gebeurt er?
    - Over wie gaat het verhaal?
    - Wat gebeurt er?
    - Wat weet je al?
    - Over wie gaat het?
    - Wat vind je van de tekst?
    - Heb jij dit al meegemaakt?
    - Wat voel je dan? Waarom?
    - Gebeurt dit ook in jouw land?
    - Wat doe jij in deze situatie? 
  • Check bij elke vraag en bij elk antwoord of de deelnemers de belangrijkste woorden goed begrijpen door:
    - Open vragen te stellen (geen ja/nee vragen): Wat is sfeer? Kan je iets vertellen over sfeer?
    - De deelnemers zelf een woord aan elkaar te laten uitleggen. Wie kan zeggen wat sfeer is?

  • Leg moeilijke woorden uit:
    - Probeer een synoniem, liefst een internationaal woord: Een ander woord voor sfeer is ‘ambiance’.
    - Geef herkenbare voorbeelden. Goede sfeer: het is feest, de mensen dansen, iedereen is blij. Slechte sfeer: iedereen is droevig of boos, er is ruzie, iedereen is stil, niemand durft praten
    - Geef een voorbeeld over jezelf: Ik was gisteren thuis met mijn zus maar er was geen goede sfeer. We hadden ruzie.

    Als je deelnemers al een beetje kunnen lezen, dan schrijf je het woord best ook op een bord of flap.

Tweede ronde

  • Lees de volgende 2 paragrafen voor in een traag tempo.
  • Pauzeer kort in stilte.
  • Lees opnieuw dezelfde 2 paragrafen voor.
  • stel open vragen en laat gesprekken ontstaan.
    • Wat denk je over deze situatie?
    • Wat zou jij doen?
    • Met wie? Wat? Waar? Wanneer?, Hoeveel? Hoe?, Welk(e)? Waarom?
  • Leg reacties van deelnemers ook voor aan de groep.
    • Vinden jullie dat ook?
    • Heeft nog iemand dit gevoeld?
  • Speel in op lichaamstaal van deelnemers.
    • Waarom lach je?
    • Wou je iets zeggen?
  • Geef de deelnemers geregeld een complimentje voor hun inbreng.
    • Dat heb je mooi gezegd
    • Ik hoor je zeggen dat … dat is fijn. Dat had ik niet gezien.
  • Vraag of iemand de herhaling wil lezen.
  • Leg de moeilijke woorden uit.

Pauze 

Derde ronde

  • Lees een volledige pagina met of zonder herhaling.
  • Stel open vragen en laat gesprekken ontstaan zoals in de tweede ronde.
  • Vraag of iemand de pagina wil voorlezen

Einde 

Bedank de deelnemers voor hun inbreng.

Vraag feedback

  • Hoe vonden jullie de activiteit?
  • Wat vond je van het boek/thema?
  • Over welke thema’s wil je de volgende keer lezen/praten?

Aandachtspunten bij het lezen

  • Laat stiltes toe. Luisteren is ook oefenen. Sommige deelnemers genieten van de klank van de taal en hoeven niet altijd aan het woord te zijn. 
  • Zorg voor voldoende pauzes in de tekst. Dat geeft rust en kans aan de deelnemers om de tekst goed te begrijpen. Stiltes zijn belangrijk.
  • Praat traag en algemeen Nederlands. Gebruik eenvoudige woorden. Kijk deelnemers geregeld aan tijdens het leesproces.
  • Ga delicate onderwerpen niet uit de weg, maar behoed je om je eigen mening te zeggen. Wat zeker kan is: ‘Niet iedereen denkt er zo over.’ Als begeleider begeleid je het proces. Hou jezelf als persoon op de achtergrond. Dat werkt drempelverlagend voor de deelnemer om zelf iets te kunnen vertellen.