Kijk samen naar kunst

Wat

Je kijkt samen met een groep naar kunst of architectuur. Je helpt om over observaties te praten en legt hierbij alle spreekkansen bij de groep. Je schept een veilig klimaat waarin het voor je deelnemers fijn is om te praten en geeft hen taalondersteuning.

Je baseert je voor deze begeleiding op de museummethodiek Visual Thinking Strategies (VTS).

Duur

1 à 2 uur

Voor wie

Materiaal

Voor beginners kies je best werken die het dagelijkse leven tonen maar toch voldoende verrassend zijn (een bijzondere blik, een verrassend element, …).

Ga je naar buiten?

Elke buurt met kunstwerken in het straatbeeld komt in aanmerking. Zorg dat er maximum 5 wandelminuten zijn tussen de kunstwerken.

Enkele voorbeelden

  • Beeldentuin Middelheim
  • Het eilandje (MAS- Groetend admiraalskoppel – Guillaume Bijl (op 8ste); Bonapartedok : Augustine Pautre e.a. werk –Carla Kamphuis-Meijer; Dak  & gevel  pakhuis: De Antwerpse fluisteraar – Daisy Boman ; Napoleonkaai, kant Oostkaai: Jan Cornelis Van Rijswijck, door Tom Frantzen ),
  • Theaterbuurt (Tov Bourla op dak: De kreupele en de blinde – Albert Szukalski; Oudaan: Den deugniet; Wapper: Vertelboom – Peter Holvoet Hansen;  Leopoldstraat Plantentuin: Greening II – Monique Donckers), of een van de talloze werken in
  • Seefhoek (Sint-jansplein: Pepto Bismo – Panamarenko; Kerkstraat : Julien Schoenaerts – Wilfried Pas, binnenplaats Stuivenberg

Kies voor werken met een twist die toch niet al te gekend zijn. Bij Brabo of Nello & Patrasche zijn er altijd wel enkelen die het verhaal kennen en dan wordt de dynamiek in  de groep anders.

Blijf je binnen?

Richt je lokaal in als museum: hang een 10-tal kopies van schilderijen aan de muur, of gebruik een beamer.

Ter inspiratie

Bezoek je liever een museum met een gids? Ontdek hier het gratis aanbod in Antwerpen voor NT2-docenten of begeleiders van oefenkansen.

Activiteit

Voorbereiding

Leg de werkwijze uit voordat je eraan begint:

'We gaan praten over kunst, maar ik ga niet veel vertellen. We gaan samen één of twee verhalen bedenken bij een kunstwerk. We hebben een uur de tijd en we kijken naar drie of vier werken.'

Introductie: kijken

  • Zet de deelnemers in een halve cirkel of in groepjes. Een lange rij bemoeilijkt het gesprek.
  • Ga tussen hen in staan of loop rond een beeld. Je kijkt zelf ook mee.
  • Zeg aan de groep: 
    'Ik wil jullie laten kennismaken met dit werk (wijs aan).
    Kom gerust dichterbij, je mag rond het werk lopen. Kijk maar goed. Je hebt tijd om te kijken. We kijken 2 minuten.'

Ga in gesprek over het kunstwerk

Als je merkt dat de deelnemers klaar zijn met kijken, dan stel je de volgende vragen. 
Laat gerust een stilte vallen van een minuut of langer na een vraag. Nodig met je ogen uit om te antwoorden. Neem niet zelf het woord. Benoem niet zelf.

  • Wat gebeurt er?
    Soms is deze vraag moeilijk voor beginners. Krijg je geen antwoord? 
    - Start de observatie dan op met de vraag: 'Wat zie je?'
    - Ga daarna terug over op: 'Wat gebeurt er nog?'

    ‘Wat zie je?’ leidt tot oppervlakkige observaties, een opsomming. 
    ‘Wat gebeurt er?’ levert individuelere observaties op, deelnemers zoeken dan naar het verhaal.
  • Hoe zie je dat? Waarom denk je dat?
    - ‘Ik zie oude man.’ - 'Hoe zie je dat? Hoe kan je zien dat die man oud is?'
    - ‘Man is blij.’ - 'Wat zie je waardoor je dit zegt?'
    - ‘Man heeft honger’ - 'Jij denkt dat de man honger heeft. Hoe kan je dat zien?'
  • Wat gebeurt er nog meer? Wat kunnen we nog meer vinden?
    - Valt de eerste stroom aan opmerkingen stil? Dan stel je de volgende vraag: 'Wat gebeurt er nog meer?'
    - Als je één of een paar verhalen hebt, vat je deze samen voor de groep. 
    - Je kan ook twee eerdere versies tegenover elkaar plaatsen: 'Iemand denkt dat de man blij is, iemand anders denkt dat de man honger heeft. Wat denken jullie?'

Hou het gesprek gaande

  • Stel veel vragen. Vul niet zelf aan.
    'Is winter.' Je zegt: 'Het is winter. Waarom denk je: het is winter? … Wat zie je? … Is het warm of koud? … Welke kleren draagt de vrouw? … Is ze blij of verdrietig?' 
    Stel bij een beginnersgroep veel meerkeuzevragen. Zo bied je taal aan: 'Is het druk of rustig? Is deze man oud of jong?' 
  • Wijs aan en ondersteun visueel waarover jij of anderen praten. Zo begrijpt iedereen waarover het gaat.
  • Geef deelnemers tijd om op woorden te komen, omschrijvingen te zoeken en ideeën te formuleren. Onderbreek niet te snel.
  • Check het begrip en zorg ervoor dat je elkaar goed begrijpt.
    - Dus je zegt …
    - Begrijp ik je goed als ik zeg …
    - Ik ga even checken om te zien of ik je goed begrepen heb. Je ziet …
    - Waarom denk je: dat is een …?
    - Wat zie je waardoor je suggereert dat … / waardoor je denkt: …?
    - Als ik jou goed begrijp dan …
  • Parafraseer de observaties van een deelnemer naar de groep. Geef geen extra informatie.
    - Deelnemer: 'Deze vrouw is huilen. Ogen verdriet.' 
    - Begeleider: 'Je denkt dat deze vrouw verdrietig is. Misschien huilt ze. Je vindt dat ze verdrietig kijkt, dat zie je aan haar ogen. Vinden jullie dat ook? Kan je op andere manieren zien dat ze verdrietig is?'
  • Leg linken met wat eerder werd gezegd of plaats opmerkingen naast elkaar. 
    'Vindt iedereen dat ze verdrietig is? Daarnet zei iemand dat ze boos is op haar kinderen… Wat denken jullie?'
  • Geef veel positieve bevestiging. Maak duidelijk dat er geen foute antwoorden zijn en dat elke bijdrage waarde heeft.
    - Dat heb je goed gezien.
    - Vertel maar hé. Alles wat jullie vertellen is belangrijk.
    - Ja, dat kan. Dat is geen probleem. Iedereen zal iets anders zien.
    - Kijk maar, het kan zijn dat als je langer kijkt, je andere dingen gaat zien.
  • Pas je aan aan het taalniveau van je groep.
    - Parafraseer op het niveau van je groep maar spreek zelf correct Nederlands.
    - Gebruik dagdagelijkse woorden. Let op met vakjargon. Dat geldt zeker voor beginners en halfgevorderde deelnemers, maar ook gevorderde cursisten hebben moeite met jargon (de boeg, de veerman, expressionistisch …) en verouderde begrippen (klompen, toga, …)
  • Moedig verschillende observaties aan
    - Misschien is het X, volgens jou is het Y.
    - Jij denkt dat … en daarnet zei x dat … .
    - Je ziet … maar ook… .
    - Eerst dachten we dat … maar nu denken we misschien … .
    - Ik vind het leuk dat jullie verschillende dingen zien.
    - Ik heb veel verschillende argumenten gehoord.
  • Ga verder in op concepten. 
    - Deelnemer: 'Foto is hard.'
    - Begeleider: 'Waarom voel je dat?'
    - Deelnemer: 'Veel zwart wit rood.'
    - Begeleider: 'Dus jij ziet veel harde kleuren: zwart, wit en rood. Zie je nog iets anders wat de foto voor jou hard maakt?'

Rond af

Bedank de deelnemers voor hun interessante ideeën.

Wat als deelnemers toch graag meer willen weten over de achtergrond van het werk?

Geef alleen meer informatie als het verhaal van de deelnemers lijkt op het verhaal van de kunstenaar. Als je het 'juiste' verhaal bij het werk doet, dat veraf ligt van de bevindingen van de deelnemers, dan verminder je de spreekdurf. 

Voorbeeld

Bij het standbeeld van Jan Van Rijswijck, burgemeester van Antwerpen, erg geliefd in Antwerpen. Als burgemeester zocht hij de dialoog, hij was fier op zijn stad en liet mooie gebouwen ontstaan. De groep had alle elementen in het werk gezien maar vroeg om meer uitleg.

'We zien een trotse man. Hij is rijk want hij draagt mooie kleren. Hij staat op een schip of op een balkon en  hij kijkt naar de haven. Hij spreekt met mensen. Misschien is hij de burgemeester van de stad. Of de baas van de fabriek. Hij is sympathiek. Het is een feestelijke dag.'


www.nederlandsoefenen.be/antwerpen/meedoen