Actualiteit

Babbel over actualiteit

Wat

Je verkent de actualiteit met de deelnemers op basis van foto’s uit de krant. Zo voelen deelnemers zich verbonden met de wereld. De onderwerpen zijn actueel, bij voorkeur universeel of net heel lokaal.

Duur

2 uur

Voor wie

Anderstaligen die graag op de hoogte zijn en praten over nieuwsberichten.

Begeleider

De begeleider

  • houdt er van in te gaan op de actualiteit
  • zoekt voor elke sessie gepaste en interessante onderwerpen in de actualiteit.

Materiaal

De 5 W-vragen Wie Wat Waar Wanneer Waarom

Het bijgevoegde niveau is voor het eventueel behandelen van de bijhorende artikels en geldt uiteraard niet voor de foto’s.

Voorbereiding

  • Bepaal hoeveel sessies je wilt geven.
  • Bepaal waar je de sessies wilt geven. Zoek een geschikte ruimte voor max 10 deelnemers. Kies een ruimte met een gezellige sfeer om te praten, waar je koffie en thee kan zetten, waar mensen zich goed en welkom kunnen voelen.
  • Bepaal wanneer je de sessies wilt geven. Best niet tijdens de schoolvakanties.
  • Voer promotie.
  • Schrijf (indien nodig) deelnemers in. (maximum 8 à 10 per groepje)
  • Bepaal voor jezelf en je groep een aantal afspraken of regels:
    • op tijd komen,
    • respectvol zijn voor afwijkende meningen,
    • of deelnemers elke sessie aanwezig zullen zijn
  • Kies voor de sessies onderwerpen die aansluiten bij de leefwereld van je publiek.
  • Kies je onderwerpen met zorg. Vermijd pijnlijke politieke of religieuze onderwerpen, ze leiden vaak tot verhitte discussies en zelden tot fijne gesprekken.
  • Kies een achttal diverse onderwerpen per sessie. Reken minimaal 15 minuten per onderwerp. (Dus 6 onderwerpen per sessie en voor alle zekerheid 2 reserves)
  • Lees alle artikels op voorhand een aantal keren door. Bepaal vooraf welke belangrijke woorden bij dit onderwerp wellicht toelichting zullen vragen. Bepaal wanneer en hoeveel toelichting je wil geven.
  • Let op: Ook al is het onderwerp vaak niet zo moeilijk, de taal van een krantenartikel is dat vaak wel. Er staat veel figuurlijk taalgebruik in een artikel of woordenschat die zeer specifiek is. Moedig de deelnemers aan om het grote verhaal te zoeken, niet om elk woord afzonderlijk te begrijpen.
  • Vuistregel: Als je langer dan vijf minuten zelf aan het woord bent en bezig met het verklaren van moeilijke woorden, dan was het onderwerp of het niveau van het artikel wellicht te hoog gegrepen.
  • Sta het gebruik van een woordenboek toe maar moedig het niet al te zeer aan, vraag wie een woord kan verklaren, vul eventueel aan.
  • Een goede foto lanceert het gesprek meteen. Stel de 5 W-vragen: wie, wat, waar, wanneer, waarom. Soms kan een foto hen op het verkeerde been zetten, begeleid de discussie maar laat de mogelijkheden naast elkaar bestaan.
  • Waardevolle woordenschat kan je op een groot blad noteren. Verlies je niet in namen, vakjargon of zeer gespecialiseerde woordenschat. (Een goede vuistregel is of je een bepaald woord zelf in andere contexten gebruikt.) Vaak hebben deelnemers nog het meest aan woordcombinaties bv. Bang zijn voor iets/iemand, vechten voor iets/iemand, strijden tegen iets/iemand
  • Een alternatief voor een woordenlijst is een woordspin. Die kan als ondersteuning dienen voor deelnemers die de woordenschat nodig voor dit artikel nog niet beheersen. (centraal komt het onderwerp, errond de 5w’s, ook woordclusters, typisch woordgebruik etc.)

Activiteit

Bij de start van elke sessie

  • Zet koffie, thee, water en koekjes klaar.
  • Ontvang de deelnemers hartelijk en serveer koffie/thee met een koekje.
  • Leg een aantal kranten op tafel.

Bij de eerste sessie

  • Leg het doel uit van de reeks.
  • Geef ook de regels/afspraken die je vooral bepaalde.
  • Doe een korte kennismakingsronde. (Kort omdat deelnemers komen om te praten. Vraag welke kranten ze lezen en welke onderwerpen hen vooral interesseren. Zorg ervoor dat je hier max 30’ aan besteed. Hou hier tijdens de eerste sessie rekening mee en reduceer het aantal artikels dat je wil behandelen.)
  • Ga na of er nog vragen zijn.

Actie

  • Toon de eerste foto.
  • Stel vragen. Zorg voor interactie. Wanneer iemand een woord niet begrijpt, vraag dan de andere deelnemers om te helpen het woord te verklaren.
    • Wat of wie zie je op de foto?
    • Wat gebeurt er?
    • Wanneer en waar gebeurde dit?
    • Wat vind je van de foto? (hard, ontroerend, schokkend, grappig, mooi, …)
    • Heb jij dit al meegemaakt?
    • Wat denk je dat er gebeurde? Wat denk je dat er verder zal gebeuren?
    • Wil je meer weten over dit onderwerp?
    • Had je hier iets over gelezen, gezien, gehoord via vrienden, familie?
    • Heb je zelf zoiets meegemaakt/ gezien?
    • Wat zou jij doen in deze situatie? Zou jij ook zo handelen?
    • Welke foto zou jij bij dit artikel geplaatst hebben? Welke foto zou beter passen bij dit onderwerp?
  • Controleer regelmatig of iedereen nog mee is. Vraag niet ‘Begrijp je het?’, wel ‘Kan je ons vertellen wat hier gebeurde, waarom deze persoon in het nieuws is, …?
  • Laat afsluitend het hele nieuwsbericht samenvatten.
  • Schrijf eventueel standaard zinnetjes op het bord als:
    • Op de foto zie ik …
    • De foto gaat over …
    • In het artikel staat …
    • Ik heb gehoord/gelezen/gezien dat …
    • Ik denk dat …
    • Ik weet niet of …
    • Misschien gaat het over …
    • Ik weet er niks over. / Het zegt me niets.
  • Afhankelijk van je keuze van aanpak toon je ongeveer elke kwartier een nieuwe foto. Varieer je aanpak tijdens elke sessie (zie Voorbereiding – mogelijke werkvormen).
  • Na +/- 80’ toon je een laatste foto. Kies hiervoor een luchtig, vrolijk onderwerp. Iets verrassends en onschuldigs.

  • Specialist
    Deelnemers kiezen één foto waar ze meer over willen weten. Ze lezen (een stukje van) het krantenartikel, elk artikel wordt door minimaal 2 deelnemers gelezen zodat ze met elkaar kunnen overleggen over de precieze inhoud van het artikel. Later begeleiden zij de vragenronde bij elke foto of vertellen ze hun artikel aan de groep.
  • De puntjes op de ‘i’
    Deelnemers gaan na het bespreken van een vijftal foto’s elk één bijhorend artikel lezen. Ze markeren in groen wat al besproken werd in de groep, in oranje nieuwe informatie die toch interessant is. Ze koppelen terug naar de groep.
  • De puzzel leggen
    Deelnemers bespreken een vijftal foto’s in groepjes van 3 à 4. Eventueel volgt er een doorloop van de onderwerpen in de hele groep. Daarna krijgen de groepjes de vijf bijhorende koppen en/of (stukjes van) het artikel. De deelnemers gaan na of ze het bij het rechte eind hadden.
  • De journalist
    Deelnemers kunnen na de bespreking samen een krantenartikel ‘vertellen’. Iemand begint het verhaal en vertelt een klein stukje informatie, hij breekt zijn verhaal af met een verbindingswoord (maar, en toen, dus, daarom, want, toch, …), een tweede deelnemer pikt de draad van het verhaal op etc.

Einde

  • Vraag de deelnemers wat ze ervan vonden. Vonden ze de onderwerpen boeiend? Wat sprak hen aan? Willen ze tijdens de volgende sessie over specifieke nieuwsitems praten (gezondheid, economie, sport, binnenlandse politiek, beroemdheden?) Wat interesseert hen vooral?
  • Geef nogmaals alle concrete info voor de volgende sessie door: datum, uur, locatie,

www.nederlandsoefenen.be/antwerpen/meedoen